GOK - Informatie - Werken gelijkeonderwijskansen op school wel?

30 oktober 2018

De gevolgen van het gelijkekansenbeleid zijn door de band genomen gematigd positief, maar overtuigende resultaten blijven voorlopig uit. Tot deze ontnuchterende vaststelling komen E. Franck en I. Nicaise van het Steunpunt Onderwijsonderzoek in hun studie over de effectiviteit van het gelijkekansenbeleid in de Westerse landen. Daarvoor zien ze zes oorzaken.  

Een eerste oorzaak is de maatschappelijke context van toenemende sociale ongelijkheid waarin scholen moeten opereren. (Dit is iets waarop onderwijs-instellingen helaas geen vat hebben.) Waar scholen wel wat aan zouden kunnen doen is de ingebakken ongelijkheden in de onderwijsstructuren aanpakken. Nu, daar komt stilaan verandering in via campus- en domeinscholen waarbij de bestaande indeling in aso, bso en tso verlaten wordt. Het zal nog enkele jaren wachten zijn vooraleer de resultaten van deze aanpak duidelijk worden. 

In de tweede plaats pleiten Franck en Nicaise voor een transparanter financierings-systeem met een billijker verdeling van de bestaande middelen over de scholen. Ze stellen vast dat sommige scholen meer uit de GOK-middelen halen dan andere – het fameuze Matteüseffect - doordat deze laatste onder meer over verouderde en onaangepaste gebouwen en recreatieruimte beschikken. Dat weegt op de werkingsbudgetten als gevolg van vaste kosten die hoger uitvallen. De auteurs zouden daarnaast graag zien dat meer ervaren en gekwalificeerde leraren en directies naar kansarme scholen gaan. Misschien via een aangepaste vergoeding? 

Een derde oorzaak is het gebrek aan een welomgeschreven doelgroep en aan SMART geformuleerde doelstellingen. Duidelijkeid in deze zou het ondersteuningsbeleid wel degelijk vooruit helpen.  

Als vierde oorzaak zien zij de rol van evaluatiemechanismen. Veel scholen besteden hier te weinig aandacht aan en daardoor is het moeilijker na te gaan of het gelijkekansenbeleid wel degelijk effectief is. Enerzijds zijn Franck en Nicaise voorstanders van de uitbreiding van evaluatieprocedures van bovenaf, maar anderzijds willen ze toch dat scholen een zekere mate van autonomie bewaren. Het online platform Dataloep zou een ondersteunende rol kunnen spelen, maar dan zouden de huidige gegevens wel mogen aangevuld en verfijnd worden. Een goed uitgebouwd leerlingvolgsysteem leidt eveneens tot een efficiënter GOK-beleid. Scholen die hierover beschikken voeren volgens het Rekenhof een krachtiger beleid. 

De onderzoekers stellen in een vijfde besluit ook vast dat nascholing en professionalisering van leraren en schoolteams beter kan. Leerkrachten in GOK-scholen zouden meer mogelijkheden moeten krijgen om bijkomende opleidingen rond gelijke onderwijskansen te volgen. Dit kan bijvoorbeeld door het toekennen van een ‘persoonlijk opleidingskrediet’ waarover iedere leerkracht beschikt. Daarnaast zouden ook professionele leergemeenschappen tussen GOK-scholen moeten gestimuleerd worden waardoor schoolteams als geheel meer strategisch leren werken. 

Tot slot zouden beleidsmakers, scholen en leerkrachten voldoende aandacht moeten besteden aan het bevorderen van de onderwijsuitkomsten van alle leerlingen uit kansengroepen. Hier en daar rijzen vermoedens dat GOK te eenzijdig gericht is op het behalen van minimum-standaarden door de zwakste (kansarme) presteerders, terwijl sterkere (kansarme) presteerders over het hoofd worden gezien. Het is belangrijk dat ook in deze laatsten voldoende geïnvesteerd wordt, waardoor het rendement van het gelijkekansenbeleid verhoogt.  

Bibliografie 

Franck, E., Nicaise, I. (2017). Equity funding of schools: what do we learn from the literature about its effectiveness?, Steunpunt Onderwijsonderzoek, KU Leuven, research paper SONO/2017/1.3/2