FAQ

Katholiek Onderwijs Vlaanderen ontving heel wat vragen via directies, leraren, GON-coördinatoren, pedagogisch begeleiders over de concrete werking van het ondersteuningsnetwerk en de inzet van personeelsleden. We hebben de meest urgente vragen gebundeld in een FAQ.

Ondersteuningsmodeltop

  • Wat doe ik als directeur gewoon onderwijs wanneer ik het gevoel heb dat de methode van de ondersteuner, die mij toegewezen is, niet helemaal aansluit bij mijn leerlingenbegeleiding?

    De spanning schoolcultuur – opdracht van de ondersteuner kan inderdaad reëel zijn. Om te beginnen moet de directie van het gewoon onderwijs rekening houden met het feit dat de ondersteuner tot een andere school(cultuur) behoort, zich vaak aan een aantal schoolculturen moet aanpassen en eigenlijk ook over een bepaalde autonomie beschikt. Tenslotte is het niet ongewoon dat een ondersteuner in de ene school wél goed functioneert en in de andere dan weer wat minder. Dat neemt niet weg dat de focus van de samenwerking moet liggen op de kwaliteit van de begeleiding op de klasvloer. Wat moet een directeur gewoon onderwijs nu best doen wanneer hij het gevoel heeft dat de methode van de ondersteuner, niet helemaal aansluit bij de schoolcultuur?

    • Mensen spreken mensen. Hij gaat eerst het gesprek aan met de ondersteuner zelf en probeert op een correcte wijze te benoemen waar de spanning zit. Best op de bal spelen en niet op de man!
    • Indien reeds tijdens het gesprek blijkt dat een oplossing niet in het verschiet ligt of wanneer nadien blijkt dat er amper iets veranderd is, brengt de directeur de ondersteuner ervan op de hoogte dat hij het gesprek met andere mensen zal aangaan …
    • … en dat zijn dan de directeur buitengewoon onderwijs (die immers de werkgever is van de ondersteuner) en de coördinator van het zorgloket.